Sellingerbeetse (De Beetse)

Historie - Sellingerbeetse

'De aarde was woest en ledig', dat ging tot halverwege de negentiende eeuw zeker op voor de Sellingerbeetse, de streek was onbewoond.

Als het heel nat of heel droog was een nauwelijks te begaan zand- en veengebied. Waar heide volop groeide en bloeide, waar de schaapherder liep en de bijenkorven stonden.

Woningen

Het eerste onderkomen voor mensen in Sellingerbeetse was zeer waarschijnlijk een plaggenhut, die zo rond 1850 werd gebouwd.
Langzamerhand kwamen er meer plaggenhutten, maar ook houten keten werden er neergezet voor bewoning.
Harm Kremer, die met negotie langs de weg liep, bewoonde zelfs een stuk tramwagen.

Plaggenhutten, hutten van boomstammen en heideplaggen om in te wonen, werden vaak in één nacht, gedeeltelijk in de grond, gebouwd. Het was verboden om zomaar ergens een huis te bouwen. Wanneer het lukte om in de ochtend de haard te laten branden, zodat er rook uit de schoorsteen kwam, dan mocht het huisje blijven staan.

Verharde wegen

In 1940 werd de Voorbeetserweg verhard. In 1952 werd het Beetserpad de Beetserweg.

Het uitgaansleven in de Beetse kon voor bijna 100 procent vertaald worden met: het bij elkaar op visite gaan. Een enkele keer is er kermis geweest. En dansen was er ook wel een keer, maar dan uitsluitend's winters, als de "koele"zo stevig dichtgevroren was dat er geschaatst kon worden. Autochtoon Derk Pijper wilde dan wel komen muziek maken, en vervolgens gingen de beentjes van de vloer in de schuur van Pertien, waar het steenstof je om de oren vloog. En nu het dan over muziek gaat: zeker vermelding verdient Geert Ophof, een van de weinige Nederlanders die de bandoneon bespeelde, een op het accordeon gelijkend instrument. Ophof is niet zo lang geleden overleden. Zoon Willy zet de muzikale traditie voort, voor amusement zorgend op bruiloften en partijen, daarbij de conference niet vergetend. En wat deden de Beetsers verder? Ach, velen combineerden een arbeidersbestaan met een beetje boeren. Gestaag groeiden de bedrijfjes. Ontginningen werden veelal zelf ter hand genomen, meest stukje bij beetje. Tot begin deze eeuw wel met de ossenploeg, waar Remmelt en Kees en Luctor en Buro en Fannie en Joke en hoe ze ook allemaal meer mogen hebben geheten, voor liepen to trekken. Het land van Potze werd op die manier nog in landbouwgereedheid gebracht, zo'n 70 jaar geleden. Het moet een van de laatste keren zijn geweest. Grotere ontginningen vonden in de crisistijd plaats, zoals bekend. Maar de 900 hectare die volgens de boeken de Sellingerbeetse betreft, moet voor een zeer groot deel in bet Sellingerveen gezocht worden. Het Zevenmeersveen, volgens een moderne benaming. Aan de Jipsingboertanger kant van de "Beetser wieke", ook in die crisistijd schopje voor schopje ontstaan en inmiddels weer gedempt. Aan de Lauder zijde van bet oude Beetser pad, waar je dan ook eigenlijk niet van Sellingerbeetse, maar Lauderbeetse moet spreken, was de inrichting meer fabriekswerk. M. en 0, later WTM, later Avebe; vloeivelden zijn er dus ook. Het zwarteveen, heet het, de kant van Terwisch op. In die tijd kwamen er dus ook andere boerderijen. Kant en klaar, zogezegd.

 

© sellingerbeetse.nl - disclaimer - sitemap
KleinerGroter